De geschiedenis van Pierce/Pierce/Arrow VS 1901-1938

George Norman Pierce werd in 1849 geboren en leidde eind jaren tachtig van de vorige eeuw een bloeiend bedrijf dat vogelkooien, ijskasten en wasmachines vervaardigde. Rond die tijd won de fiets in de VS zeer snel aan populariteit en die werd dan ook aan het productiegamma toegevoegd. De tandwielen voor de tweewielers werden geproduceerd door Henry Leland's bedrijf in Detroit; hij zou later Cadillac en Lincoln oprichten. Vanaf 1895 concentreerde Pierce zich in een geheel nieuwe fabriek van vijf verdiepingen in Buffalo (New York) volledig op de productie van fietsen.

Na korte tijd geëxperimenteerd te hebben met een auto met stoommotor testte Pierce een eencilinder DeDion-motor en in 1901 begon hij met de productie van de Motorette waarvan er het eerste jaar 25 werden verkocht en het jaar daarna 125. De eerste twee jaren werden DeDion-motoren toegepast en d motoren van eigen makelij. De eerste auto die de typenaam Arrow d verscheen in 1903 en in 1904 volgde de C Arrow die $4.000 kostte en waarmee het bedrijf zich in het hoogste marktsegment begaf. In 1906 werden 700 auto's gebouwd en tot wonnen ze vier keer in successie de Glidden Tour; het belangrijkste langeafstandsevenement in de VS. In 1908 verhuisde het bedrijf dat inmiddels Pierce-Arrow Motor Car Co heette naar een nieuwe fabriek in Elmwood de oorspronkelijke fabriek zette Pierce's zoon Percy de productie van (motor)fietsen voort. In 1910 stierf Pierce en hij werd opgevolgd door George K. Birge.

Er werden rond die tijd bijna 1.000 auto's per jaar gebouwd; verdeeld
over twee viercilinder- en vier zescilinder dellen. Pierce verkeerde in
de gelukkige positie het merendeel van de auto's, nog voor geproduceerd
werden, al verkocht te hebben. Net als Rolls-Royce bood ook Pierce-Arrow
haar klanten de mogelijkheid hun chauffeur, via een twee weken durende cursus
met de gekochte auto te laten kennis maken. De reeks van luxe modellen (38,
48 en 66 met motoren van (6,8, 8,6 en 13,5 liter) gaf al aan kopers vrij
vermogend moesten zijn en niet zelf reden maar een chauffeur in dienst hadden.
De duurste 66 kostte $8.200. Pierce-Arrows waren de eerste auto's waarvan
de koplampen hoog bovenop de spatborden werden geplaatst waar ze voor een
betere verlichting zorgden. Tot 1921, en daarmee langer dan enig ander Amerikaans
merk, werd rechtse besturing gehandhaafd omdat de chauffeur dan vlotter
het portier aan trottoirzijde voor zijn werkgever kon openen. Tijdens de
Eerste Wereldoorlog voerde Pierce-Arrow de productie van twee-, drie- en
vijftons trucks op die in 1910 begonnen was.

Er werden er enkele duizenden van gebouwd. In 1915 en 1916 werd
een winst van $4 miljoen genoteerd. Na de oorlog daalde de vraag naar trucks
en verplaatste het accent van de Amerikaanse bedrijvigheid zich van de Oostelijke
staten naar het olierijke Texas en het trendsettende Californië. Pierce-Arrow
had inmiddels hard nieuwe motoren nodig. De problemen van het bedrijf in
deze periode werden veroorzaakt door het feit dat de bedrijfspolitiek door
bankiers en niet door autotechnici werd bepaald; een gevolg van een aandelenemissie
in 1916. Tot 1921 verlieten vrijwel alle belangrijke ingenieurs het bedrijf.
Door de recessie daalde de verkoop tot 1.000 auto's en dat jaar werd een
verlies van $8 miljoen geboekt. In 1924 werd een nieuw model gepresenteerd:
de 80 met 4,7 liter zescilindermotor waarvan de verkoop in het begin goed
liep. Pierce-Arrow durfde ook te experimenteren; ondermeer met een geheel
van aluminium vervaardigde auto op basis van de 80 die men door Lawrence
H. Pomeroy liet ontwerpen.

Er werden er slechts vier van gebouwd en Pierce-Arrow verzuimde
de 80 van jaar tot jaar te moderniseren waardoor de firma een deel van haar
marktaandeel aan Cord en Packard verloor. In 1928 werd de onderneming door
Studebaker overgenomen waarna Studebakerdirecteur Albert R. Erskine voorzitter
van de Raad van Bestuur van Pierce werd. Een nieuwe Pierce-Arrow zesliter
achtcilinder-lijnmotor voor de nieuwe 133- en 143-typen werd in de fabriek
van Studebaker in South Bend (Indiana) geproduceerd. Van deze typen werden
er in 1929 9.840 gebouwd; variërend van 133roadsters voor $2.875 tot luxe
143-limousines voor $8.200. Op het moment dat Pierce-Arrow haar eerste V12-motor
voltooide had de economische crisis in volle hevigheid toegeslagen en in
1932 verkocht het merk slechts 2.692 auto's.

De omzet bedroeg $8 miljoen maar ondermeer vanwege verbeteringen
aan de fabrieken voor een bedrag van $2 miljoen bedroeg het verlies dat
jaar $3 miljoen. In 1933 kampte ook Studebaker met ernstige financiële problemen
en Pierce-Arrow werd voor $1 miljoen aan een groep zakenlui uit Buffalo
verkocht. Het opvallendste van de nieuwe modellen die daarna nog verschenen
was de gestroomlijnde Silver Arrow maar de presentatie van dit model was
veeleer een publiciteitsstunt en er werden er slechts vijf van gebouwd.
De firma probeerde het ook met caravans en bracht in 1936 de fraaie Travelodge
uit maar in 1937 was er geen geld meer voor nieuwe projecten zodat in 1938,
toen nog slechts 17 auto's werden gebouwd, de productie werd gestaakt. De
V12-motoren werden daarna nog tot 1970 in brandweerauto's van de Seagrave
Corporation uit Columbus (Ohio) toegepast terwijl de merknaam zonder verbindingsstreepje
nu nog wordt gebruikt door de Pierce Manufacturing Co. uit Wisconsin die
eveneens brandweerwagens bouwt.
Bert Goes
